2. Electronegativiteit

Electronegativiteit is de neiging van een (neutraal) atoom om negatieve lading (electronen) aan te trekken.

De Electronegativiteit van de atomen hangt af van:
  1. De afstand tussen de kern en de buitenste schil
  2. De (positieve) lading van de kern (= aantal protonen)


F is de aantrekkingskracht (of afstotende kracht) tussen ladingen.

Stel je even een atoom voor: er is een positieve kern en - op enige afstand - negatieve electronen.
De kern oefent aantrekkingskracht uit op de negatieve ladingen (en we kijken hier vooral naar die ladingen aan de buitenkant, dus op maximale afstand).
De aantrekkingskracht hangt af van Q1, Q2 en r.
Q symboliseert de ladingen (van kern en electronen); de waarde van r komt in dit soort berekeningen overeen met de atoomstraal.
Bij atomen met een relatief sterk positieve kernlading (Q is groot) en een relatief kleine atoomstraal (r is klein) zal de waarde van E groot zijn.


Opdracht 14
Analyseer het bovenstaande schema en geef je commentaar.

Opdracht 15
  1. Leg uit waarom het Chlooratoom sterker electronen aantrekt dan het Joodatoom. Gebruik hierbij tabellen.
  2. Leg uit waarom het Chlooratoom sterker electronen aantrekt dan het Natriumatoom. Gebruik hierbij tabellen.
  3. Controleer de gegevens uit de tabellen met Electronegativiteit van die drie elementen.
  4. Maak een grafiek met de electronegativiteiten van de elementen van periode 3.
  5. Bekijk het eenvoudige periodiek systeem. Waar bevinden zich de elementenmet grotere E-waarde?

Opdracht 15a
Normaal gesproken heeft een atoom een voorkeur voor 8 valentie-electronen. Met det gegeven moet je van de volgende moleculen de electronenformules geven:
F2  Cl2  ICl  HBr  CO  N2  HS-  OH-
Leg ook uit of je polariteit verwacht in het molecuul.

antwoord

Opdracht 15b
Zal het molecuul dichloormethaan polair zijn? Leg uit.
antwoord




2.1. Aarde, Water, Vuur en Lucht

De fylosofen van de oude Griekse wetenschappen probeerden ook de natuur te begrijpen en uit te leggen. Zij waren het die het begrip "elementen" invoerden. Aristoteles zei: er zijn vier elementen: aarde, water, lucht en vuur. Alle andere stoffen zijn daaruit opgebouwd.
Zo moet de stof 'hout' veel van het element vuur bevatten, want als je dat aansteekt, komt er veel vuur uit. Logisch toch?

Later, in de Middeleeuwen, gingen de alchemisten hierop door en voegden aarde en water samen tot "Mercuur" en lucht en vuur noemden ze het element "Sulphur". Als je de verhouding goed kiest of goed maakt, dan kun je goud maken.
Allemaal fases in de ontwikkeling van de wetenschap. Elke fase gaf zijn eigen bijdrage.