Opdracht 6 = Een leeropdracht.
Je doet een aantal (8) opdrachten volgens een vast patroon van (10) vragen (de vragenlijst).
Aan de hand van een voorbeeld (reactie van ijzer met zwavel) bespreken we eerst al die vragen, zodat je bij de 8 opdrachten weet wat je moet doen.
Het is niet de bedoeling dat je de reakties ook zelf echt doet. Het blijft dus theorie, papierwerk.
| 1. kalium met chloor |
2. magnesium met zuurstof |
3. natrium met zwavel |
4. zink met argon |
| 5. aluminium met fosfor |
6. zilver met arseen |
7. chroom met zuurstof |
8. magnesium met helium |
De vraag is of de twee stoffen met elkaar reageren en, zo ja, wat je dan weet over de chemische binding tussen die twee.
Elk paar moet worden bestudeerd aan de hand van de vragenlijst.
de vragenlijst:
- Heb je deze reaktie al eens eerder gezien of gedaan? Zo ja, hoe verliep die reaktie in de praktijk?
- Welke formules hebben de twee elementen? Geef ook de aggregatietoestanden (s) (l) (g)
- Wat moet er met beide reactanten gebeuren om losse atomen te krijgen? Noteer dit m.b.v. formules
- Schrijf de elektronenformules op van de twee atoomsoorten. Zie zo nodig P.S. of tabel.
- Zijn er atomen bij die elektronen volledig willen opnemen of afstaan? Zo ja, noteer de bijbehorende reaktie
- Kan er een reaktie plaats vinden? Zo nee, dan moet je nu naar de volgende reaktie overgaan
- Schrijf van het produkt de bijbehorende formules op:
- ionenformules van losse ionen in het produkt
- verhoudingsformule en elektronenformule
- Welk bindingstype is er dus ontstaan?
- Schrijf de naam van het produkt op. Ken je die stof uit de praktijk?
- Maak een kloppende reaktievergelijking
|