2. De metaalbinding

     

Metalen hebben alleen maar metaalatomen die meestal elektronen willen afstaan. Ze vormen dan positieve ionen.
Maar als een stof (een metaal) dus alleen maar atomen heeft die willen afstaan, hoe moet dat dan, waar gaan hun valentie-elektronen naar toe?
De afgestane (valentie)-elektronen krijgen een soort autonome staat; ze gaan samenwerken, bij elkaar zitten, en bereiken op die manier wat ze willen: ruimte, wat wil zeggen: stabiliteit. Die valenti-elektronen gaan zo eigenlijk bij alle metaalatomen behoren; ze bewegen zich daaromheen.
Tegelijk hebben dus in feite al die atomen hun valentie-electronen afgestaan en zijn positieve ionen geworden. Deze ionen hebben hun vast plek in een rooster: het METAALROOSTER. Al die positieve ionen worden bij elkaar gehouden door de 'rondcirkelende' vrije elektronen. Ze worden 'vrij' genoemd omdat ze niet meer vastzitten aan één atoom.
De aantrekking tussen die negatieve vrije elektronen en de positieve ionen in het rooster noemen we: METAALBINDING.


Metaalbinding = aantrekkingskracht tussen (negatieve vrije) elektronen en (positieve) metaalionen in een rooster

Je zou ook kunnen zeggen: die afgestane vrije elektronen vormen een soort "lijm" die de positieve ionen in het ionrooster bij elkaar en op hun plaats houdt.
Deze aantrekkingskrachten zijn behoorlijk sterk (zie module 5 hierover)

Opdracht 6 = Een leeropdracht.
Je doet een aantal (8) opdrachten volgens een vast patroon van (10) vragen (de vragenlijst).
Aan de hand van een voorbeeld (reactie van ijzer met zwavel) bespreken we eerst al die vragen, zodat je bij de 8 opdrachten weet wat je moet doen.
Het is niet de bedoeling dat je de reakties ook zelf echt doet. Het blijft dus theorie, papierwerk.

1. kalium met chloor 2. magnesium met zuurstof 3. natrium met zwavel 4. zink met argon
5. aluminium met fosfor 6. zilver met arseen 7. chroom met zuurstof 8. magnesium met helium

De vraag is of de twee stoffen met elkaar reageren en, zo ja, wat je dan weet over de chemische binding tussen die twee.
Elk paar moet worden bestudeerd aan de hand van de vragenlijst.

de vragenlijst:
  1. Heb je deze reaktie al eens eerder gezien of gedaan? Zo ja, hoe verliep die reaktie in de praktijk?
  2. Welke formules hebben de twee elementen? Geef ook de aggregatietoestanden (s) (l) (g)
  3. Wat moet er met beide reactanten gebeuren om losse atomen te krijgen? Noteer dit m.b.v. formules
  4. Schrijf de elektronenformules op van de twee atoomsoorten. Zie zo nodig P.S. of tabel.
  5. Zijn er atomen bij die elektronen volledig willen opnemen of afstaan? Zo ja, noteer de bijbehorende reaktie
  6. Kan er een reaktie plaats vinden? Zo nee, dan moet je nu naar de volgende reaktie overgaan
  7. Schrijf van het produkt de bijbehorende formules op:
    1. ionenformules van losse ionen in het produkt
    2. verhoudingsformule en elektronenformule
  8. Welk bindingstype is er dus ontstaan?
  9. Schrijf de naam van het produkt op. Ken je die stof uit de praktijk?
  10. Maak een kloppende reaktievergelijking