Opdracht 20
Probeer het volgende schema te begrijpen en uit te leggen, waarin het verschil in electronegativiteit van de twee verbonden atomen flink verschilt.
Metaalbindingen
veel metalen hebben een lage E
Ionbindingen
ΔE: > ±1,6
Covalente bindingen
- covalent, niet polair
- covalent, polair
0 < ΔE < ±1,6
0 < ΔE: < ±0,4
ΔE: > ±0,4
N.B.
In de natuurwetenschappen gebruiken we heel veel symbolen uit het griekse alfabet, zoals:
De griekse hoofdletter delta Δ : geeft het preciese verschil aan tussen twee waarden.
de griekse kleine letter delta δ : geeft aan dat er een klein verschil bestaat.
In een covalente binding (atoombinding) kan er een verschil bestaan tussen de E-waarde van de twee deelnemende atomen. Dan is er dus sprake van een
ΔE, dat wil zeggen:
een verschil tussen de electronegativiteiten.
Er zal dan wat "verplaatsing" zijn van de elektronen tussen de atomen, dus de elektronen die gemeenschappelijk gebruikt worden. De kant waarnaar deze elektronen verschuiven zal dan een ietsje negatief worden, omdat elektronen nu eenmaal negatief zijn.
Die kant van de binding met het atoom met de sterkte aantrekking (de grootste ΔE), zal ietsje negatieve lading krijgen wat we aanduiden met:
(δ-).
Aan de andere kant van de binding bevindt zich het atoom met de kleinste elektronegativiteit, dus het atoom dat zijn elektronen een beetje moet laten vieren, en dat atoom zal dus een ietsje positief worden = (δ+).
Een binding tussen twee zulke atomen heet "polair"
Covalente bindingen kunnen een volledig NIET-POLAIR karakter hebben als er geen sprake is van δ- en δ+.
Als er binnen een covalente binding een zeker verschil bestaat, als de gemeenschappelijke elektronen niet precies in het midden liggen, als er een zekere onevenwichtigheid bestaat van ladingen δ+ en δ-, dan noemt men de binding: POLAIR.
We bekijken het nog eens op een andere manier:
Hoe groter het verschil in elektronegativiteit in E van de elementen van een verbinding, des te meer ionkarakter heeft de binding tussen die elementen.
Zo heeft de stof Al2O3 70% ionkarakter en 30% covalent karakter.
Opdracht 21
Gegeven de molekulen CCl4 NH3 H2O HF.
Wat kun je zeggen over de bindingen in deze molekulen, kijkend naar het verschil in elektronegativiteit?