3.3 Oplosbaarheid

Opdracht 31
Kies het juiste antwoord en leg je keuze uit:
Aspirine lost niet op in water omdat:
  1. aspirine een vaste stof is en water een vloeistof
  2. aspirinemolekulen geen polair karakter hebben
  3. het water geen maagzuur bevat
  4. het smeltpunt van aspirine te hoog is.

stof met ionen die in water oplost: Natriumchloride

Na+      Cl-      Na+     Cl-      Na+
 
Cl-     Na+     Cl-     Na+     Cl-
 
Na+     Cl-     Na+     Cl-     Na+
 
Cl-     Na+     Cl-     Na+     Cl-

De ionen Na+  en Cl-  die uit een rooster ontsnappen worden meteen omringd door watermolekulen (polaire aantrekkingskrachten).

Er is nog wel aantrekkingskracht tussen de ionen, maar die is niet genoeg om weer een rooster te vormen.

We hebben het hier over een oplosbaar zout.
Andere ionen, kleinere of meer geladen, ook omringd door watermolekulen (=gehydrateerd), kunnen vaak wel weer bij elkaar komen en een rooster vormen. Hun onderlinge aantrekking is groot.



heterogeen mengsel: (voorbeeld) olie + water

De polaire molekulen van water trekken elkaar sterk aan, terwijl de apolaire olie-molekulen bij elkaar blijven en de boel is niet in staat goed te mengen.





Algemene regel:

  1. polaire stoffen trekken polaire stoffen aan (zoals suiker dat goed oplost in water)
  2. niet-polaire stoffen trekken niet-polaire stoffen aan (voorbeeld: vet in benzine)
  3. polaire stoffen mengen niet met apolaire stoffen (zoals bij water en olie)
SOORT ZOEKT SOORT


Opdracht 32
Vergelijk de twee grafieken en trek je konklusies (S = oplosbaarheid)