Stoffen in een scheikundige reaktie reageren of worden gevormd, altijd in een vaste verhouding.
Een reaktie tussen reagentia gaat net zo lang door tot één van de stoffen op is.
De rest blijft dan gewoon over, kan niet meer reageren, was in 'overmaat' aanwezig. Het zal duidelijk zijn hoe raadzaam het is om van te voren goed te berekenen hoeveel van elk nodig zijn.
Zo kun je vermijden dat er stof zinloos overblijft, dat bovendien ook nog eens de reaktie kan compliceren. Goed rekenen is dus een voorwaarde.
Een ander nadeel van slecht of niet rekenen (reaktieberekeningen) is dat de producten aan het eind verontreinigd zullen zijn.
Opdracht 7
Veel reakties verlopen in aanwezigheid van stoffen die aan de echte reaktie niet meedoen. Voorbeeld: neerslagreakties.
- Leg uit dat neerslagreakties verlopen in aanwezigheid van niet deelnemende stoffen.
- Bedenk meer voorbeelden van reakties die verlopen in aanwezigheid van niet deelnemende stoffen.
Bijproducten
In het laboratorium of in de chemische industrie bedoelt men chemische producten te maken.
Een algemeen probleem daarbij is dat, behalve het bedoelde hoofdproduct(en), vrijwel altijd ook bijproducten ontstaan,
meestal onvermijdelijk, omdat de reaktie nu eenmaal ook die stoffen oplevert.
Mogelijk levert dat geen enkel probleem, maar vaak is een zuivering nodig die nogal gecompliceerd kan zijn. Een lastig probleem.
Opdracht 8
Bij de neerslagreaktie:
NaCl(aq) + AgNO
3(aq)

AgCl(s) + NaNO
3(aq)
gaan de reagentia Ag+ + Cl- over in het produkt AgCl(s).
Behalve het bedoelde eindproduct vormt zich ook een bijproduct: NaNO3(aq). Een eenvoudig voorbeeld van een bijproduct.
Hoe zou je in dit geval het eindproduct zuiver in handen kunnen krijgen?