8.2 Berekeningen met KA en KBen met pKA en pKB

Opdracht 45
    Bereken de pH van de volgende oplossingen:
  1. 0,1M HAc
  2. 0,1M NH3
  3. 0,1M HCl
Voorbeeld a):
0,1M HAc wil zeggen: 0,1 mol azijnzuur (CH3COOH) werd opgelost in een liter water. Een deel van de molekulen dissocieert in H+ en Ac-. De hoeveelheid van H+ (in water H3O+) bepaalt de waarde van de pH (=-log[H3O+]).
We moeten deze hoeveelheid kennen evenals de sterkte/zwakte van het zuur, dus de KA
We consulteren de tabel om te zien dat KA = 10-4 of pKA = 4



We weten dat HAc zwak zuur is. De waarde van x zal dus klein zijn in vergelijking met [HAc]
of ook kun je zeggen: x is verwaarloosbaar.
Dus: 0,03 mol HAc dissocieerde in ionen     → [H3O+] = 0,03 = 3 x 10-2 mol/l     →       pH = 2-log3 = 1,5

Opdracht 46
Nooit vergeten:       Hoe zwakker een zuur, hoe kleiner KA       Hoe sterker een zuur, hoe groter KA
Kontroleer deze bewering in tabel I.

Opdracht 47
Leg uit waarom de sterke zuren en basen in de tabel geen bepaalde K-waarde hebben.