4.1 Condensatie

Twee molekulen verbinden zich tot één nieuw molekuul onder vorming van water.

molekuul 1 + molekuul 2 nieuw molekuul + water


Bijvoorbeeld de vorming van een ester:

ethanol + ethaanzuur ethylethanaat + H2

in struktuurformules



Het is een reversibel proces, dus de directe reaktie is de condensatie en de terugreaktie wordt hidrolyse genoemd.



De vorming van een ester, uit een alkohol en een carboxylzuur kan worden versneld met een katalysator. Daarvoor kun je bijvoorbeeld een zuur nemen. De H+-ionen vallen op een negatieve plek aan en in dat geval noemt men het mechanisme "elektrofyl".
Er zijn andere mechanismen waarin negatieve deeltjes aanvallen op positieve plekken van een of ander molekuul en dan noemen we dat "nucleofyl".
Het komt voor dat een alkohol reageert met een niet-organisch zuur. Zo kan bijvoorbeeld glycerol reageren met salpeterzuur. Normaal reageert glycerol met vetzuren om vetten en oliën te vormen, maar de reaktie met salpeterzuur is vergelijkbaar:






Opdracht 21

Het produkt heeft officiëel de naam: glycerol-trinitraat. Maar in de praktijk hoor je vaak een andere naam: nitroglycerine
  1. Geef de reaktievergelijking in molekuulformules
  2. Leg uit dat die naarm 'nitroglycerine' fout is volgens de UIPAC regels.
Antwoord

Een ander voorbeeld van condensatie (en van het omgekeerde, hidrolyse) is de vorming van ether en water uit de reagentia alkohol + (ander) alkohol, bijvoorbeeld:
Ethanol + propanol ethoxi-propaan + water.

Deze reaktie heeft een katalysator nodig (kan een zuur zijn) en verhoogde temperatuur.