- Algemeen:
- Noteer de kleur van de stof (zie ook tabel XVII)
- Doe de vlamkleuring (tabel XIIX)
- Noteer het gedrag bij verhitting (sommige stoffen ontleden bij verhitting, waardoor smeltpunten of kookpunten niet bepaald kunnen worden)
- Vaste stoffen (s):
- als je de stof polijst krijg je een metaalglans. Ook blijkt de stof geleidend: Het moet een metaal zijn, een stof dus met een metaalrooster.
Voorbeelden: rood: koper, geel: messing of goud, bruinrood: brons, sterk aangetast / roestig: (zeer) onedel
- de stof heeft een laag smeltpunt en is niet geleidend:
Het moet een molekuulrooster zijn
- onderzoek de oplosbaarheid van de stof in verschillende (a)polaire oplosmiddelen.
- onderzoek vervolgens d.m.v.:
- indicator (indien aq)
- spektrometrie
- chromatografie
- de stof heeft een hoog smeltpunt en is niet geleidend:
Het zal een ionrooster zijn.
- Meng de stof met water en onderzoek:
- de oplosbaarheid
- de geleidbaarheid
- met een indikator
- doe spektrometrie (o.a. de vlamreaktie)
- doe chromatografie
- De stof is vloeibaar.
Denk hierbij aan een aantal mogelijkheden:
- polaire/apolaire molekulen
- kleine/grote/langwerpige molekulen
- waarschijnlijk geen roosters
- onverzadigde koolstofketens
Onderzoeksmogelijkheden:
- mengen met (a)polaire vloeistoffen
- viscositeit
- kookpunt
- spektrometrie
- (gas)chromatografie
- Je moet een gas (g) onderzoeken.
De stof zal opgebouwd zijn uit kleine, lichte molekulen met weinig dipoolkarakter
Onderzoeksmogelijkheden:
- oplosbaarheid in vloeistoffen
- gaschromatografie